Kansrekening · Eqora-gids
Voorwaardelijke kans: welke groep bepaalt de noemer?
Het woord gegeven verandert de groep waarbinnen je telt. Onderscheid voorwaardelijke, gezamenlijke en omgekeerde kansen met één uitgewerkt voorbeeld.

Voorwaardelijke kans begint met een vraag over de noemer, niet met een handige rekenmachinetoets. Als een workshopdeelnemer meetkunde koos, hoe groot is dan de kans dat die een schrift meebracht? Dat is een andere vraag dan of een deelnemer met een schrift meetkunde koos. In beide berekeningen kunnen dezelfde mensen in de teller staan, terwijl de groep in de noemer verandert. De voorwaarde goed lezen maakt het verschil tussen een aannemelijke breuk en een antwoord op de werkelijke vraag.
Deze gids bouwt de berekening op vanuit aantallen, verbindt die met gebeurtenisnotatie en legt uit wanneer een voorwaarde een kans wel of niet verandert. Alle workshopaantallen zijn bedacht voor de uitleg, niet gemeten in een onderzoek. De boomgaardfoto's zijn tastbare voorbeelden van groeperen; de appels stellen de getallen uit de opgaven niet voor. Papier en elementair rekenen zijn genoeg om de methode te volgen en de laatste oefening zelfstandig op te lossen.
Eqora publiceert deze gids als leerhulp. Een app kan ondersteunen bij het studeren, maar geen hulpmiddel garandeert correcte antwoorden of cijfers. Controleer zelf de formulering, notatie, aannames over de selectie en het resultaat. Volg de regels van je opleiding en examens, en bewaar je eigen uitleg waarom elke noemer bij de gestelde vraag past.
Voorwaardelijke kans begint bij de gegeven informatie
Lees de verticale streep in P(A | B) als gegeven B. De gebeurtenis rechts is de informatie die je als bekend beschouwt. De gebeurtenis links is wat je binnen die informatie onderzoekt. In een eindig model waarin alle personen even waarschijnlijk zijn, beperk je je tot iedereen die aan B voldoet. Tel vervolgens hoeveel van die mensen ook aan A voldoen. Mensen buiten B horen bij deze voorwaardelijke vraag niet in de teller of in de noemer.
Onderstreep de voorwaarde in de gewone zin voordat je letters kiest. Bij schrift gegeven meetkunde bepaalt meetkunde wie meetelt. Bij de omgekeerde vraag bepaalt het schriftbezit dat. De kansrekeningtekst van Universiteit Hasselt gebruikt de verticale streep voor gegeven informatie en laat zien hoe kansen daardoor kunnen veranderen. De beperking geldt voor de uitkomsten in je berekening; de deelnemers zelf veranderen niet doordat je iets over hen te weten komt.
Herschrijf een ingewikkelde zin als: welk deel van de mensen die aan de voorwaarde voldoen, voldoet ook aan het doel? Onze gids over het lezen van verhaalsommen werkt met dezelfde gewoonte om beschikbare informatie van de onbekende te scheiden. Doe die vertaling voordat je getallen invult, vooral wanneer de vraag zowel en als gegeven bevat, of wanneer een percentage uitsluitend over één bepaalde groep wordt vermeld.

Orden de aantallen voordat je percentages berekent
Stel je 120 volwassen deelnemers voor, elk ingeschreven voor precies één van twee workshopsessies. G betekent dat de gekozen persoon meetkunde koos; N betekent dat die een schrift meebracht. Er zijn 72 meetkundedeelnemers: 54 hebben een schrift en 18 niet. Er zijn 48 algebradeelnemers: 12 hebben een schrift en 36 niet. Kies één persoon uniform willekeurig uit alle 120, zodat ieder aanvankelijk kans 1/120 heeft om geselecteerd te worden.
Teken op papier een kruistabel. Zet meetkunde en algebra in de rijen, schrift en geen schrift in de kolommen. De vier binnenste vakken bevatten achtereenvolgens 54, 18, 12 en 36. De rijtotalen zijn 72 en 48; de kolomtotalen 66 en 54. Beide paren moeten optellen tot 120. Een vergeten of dubbel getelde persoon maakt de latere breuken onbetrouwbaar, zelfs wanneer de deling zelf volledig correct wordt uitgevoerd.
Dezelfde teller kan twee verschillende antwoorden geven
Voor schrift gegeven meetkunde behoud je de meetkunderij. De 72 personen daarin worden de noemer; 54 voldoen aan het doel schrift. Dus P(N | G) = 54/72 = 3/4 = 0,75, oftewel 75%. In woorden: drie kwart van de meetkundedeelnemers heeft een schrift meegenomen. Delen door 120 zou een andere vraag beantwoorden, over de hele workshop in plaats van over de opgegeven meetkundegroep.
Keer de formulering om: meetkunde gegeven schrift. Behoud de schriftkolom met 66 personen uit beide sessies. Van hen kozen er 54 meetkunde. Nu is P(G | N) = 54/66 = 9/11, ongeveer 0,8182 of 81,82%. De teller blijft 54 omdat de doorsnede niet verandert. De noemer verandert wel, omdat de voorwaarde verandert. Je mag de gebeurtenissen aan weerszijden van de streep dus niet zomaar omwisselen.
De gezamenlijke kans vraagt naar meetkunde en schrift, zonder een gegeven voorwaarde: P(G ∩ N) = 54/120 = 0,45. Het doorsnedeteken betekent dat beide eigenschappen voor de gekozen persoon gelden. Schrijf een zin naast elk antwoord: 75% binnen meetkunde, ongeveer 81,82% binnen de schriftbezitters en 45% van iedereen voor de gezamenlijke gebeurtenis. Zo maak je de referentiegroepen zichtbaar en voorkom je dat drie correcte berekeningen ten onrechte als hetzelfde antwoord worden gebruikt.

Waarom de formule door de voorwaarde deelt
De algemene formule is P(A | B) = P(A ∩ B)/P(B), mits P(B) > 0. De teller meet de doorsnede binnen het oorspronkelijke kansmodel; de noemer meet de hele voorwaardengebeurtenis binnen datzelfde model. De deling schaalt B opnieuw naar totale kans één. Een verhouding van aantallen werkt hier doordat alle mensen even waarschijnlijk zijn; de formule met kansen werkt ook wanneer uitkomsten verschillende kansgewichten hebben.
In ons voorbeeld is P(N ∩ G) = 54/120 en P(G) = 72/120. De verhouding wordt (54/120)/(72/120) = 54/72. Het oorspronkelijke totaal valt weg omdat het in beide kansen voorkomt. Dat is een onderbouwde vereenvoudiging, geen toestemming om willekeurige getallen in een uitdrukking weg te strepen. Bewaar exacte breuken tot de laatste omzetting naar decimalen, zeker wanneer een volgende berekening het resultaat opnieuw nodig heeft.
Binnen meetkunde vullen schrift en geen schrift de hele rij. De kans op het complement onder dezelfde voorwaarde is P(niet N | G) = 18/72 = 0,25. Daarom is 0,75 + 0,25 = 1. Dit is een nuttige controle omdat beide kansen dezelfde voorwaarde hebben. P(N | G) en P(G | N) optellen heeft niet die betekenis. Bij P(B) = 0 is deze elementaire formule ongedefinieerd, niet automatisch nul; geavanceerdere gevallen vereisen een afzonderlijke behandeling.
Keer de voorwaarde om, niet de breuk
Stel dat je zonder tabel P(N | G) = 0,75, P(G) = 0,60 en P(N) = 0,55 krijgt. Vind eerst de gezamenlijke kans: P(G ∩ N) = P(N | G) × P(G) = 0,75 × 0,60 = 0,45. Gebruik daarna schriftbezit als voorwaarde: P(G | N) = 0,45/0,55 = 9/11. Dit is een eenvoudige vorm van de regel van Bayes, waarbij elke stap nog steeds een duidelijke betekenis voor de betreffende groep heeft.
Je kunt P(N) ook terugvinden door iedereen over de twee sessies te verdelen. Binnen algebra is het aandeel met een schrift 12/48 = 0,25. Dus P(N) = 0,60 × 0,75 + 0,40 × 0,25 = 0,55. De gewichten zijn de kansen op de disjuncte sessiegroepen die samen iedereen omvatten. De percentages 75% en 25% ongewogen middelen geeft 50%, maar dat is onjuist omdat de groepen verschillende aantallen mensen bevatten.
Bereken niet 1/0,75 om de voorwaarde om te keren. Het omgekeerde van 0,75 is groter dan één en kan geen kans zijn. Bovendien vertelt het niets over de grootte van de schriftgroep. Eén voorwaardelijke kans bepaalt meestal niet de omgekeerde kans: daarvoor heb je groepskansen of gelijkwaardige aantallen nodig. Ontbreken die gegevens in de opgave, benoem dan wat ontbreekt in plaats van een basisfrequentie te verzinnen om toch een getal te produceren.

Controleer onafhankelijkheid in plaats van die aan te nemen
Gebeurtenissen zijn onafhankelijk als de ene als voorwaarde de kans op de andere niet verandert, wanneer die voorwaarde positieve kans heeft. In onze tabel is P(N | G) = 0,75, maar P(N) = 66/120 = 0,55. Die verschillen, dus G en N zijn niet onafhankelijk in dit model. Ook is hun gezamenlijke kans 0,45 anders dan P(G)P(N) = 0,60 × 0,55 = 0,33. Een intuïtief verhaal vervangt deze getalsmatige controle niet.
Bedenk ter vergelijking een afzonderlijke groep van 50 personen. Dertig kiezen meetkunde en twintig algebra. Binnen meetkunde hebben achttien een schrift en twaalf niet; binnen algebra hebben twaalf er een en acht niet. Het schriftaandeel is 18/30 = 0,60 binnen meetkunde en 30/50 = 0,60 voor iedereen. De gezamenlijke kans is 18/50 = 0,36 = 0,60 × 0,60. In dit tweede kansmodel zijn de twee gebeurtenissen dus onafhankelijk.
Onafhankelijk betekent niet elkaar uitsluitend. In de eerste workshop sluiten meetkunde en algebra elkaar per definitie uit, terwijl beide positieve kans hebben. Gegeven meetkunde is de kans op algebra nul in plaats van de onvoorwaardelijke 0,40. Ze zijn dus niet onafhankelijk. Een verband tussen schriftbezit en sessiekeuze bewijst bovendien niet dat het ene het andere veroorzaakt. Deze bedachte aantallen ondersteunen berekeningen binnen een model, geen causale conclusies over deelnemers of hun studiegedrag.
Leg de noemer uit voordat je het rekenwerk controleert
Wijs voordat je een antwoord accepteert de voorwaardengroep, het totaal daarvan en de doorsnede aan. Controleer dat het gunstige aantal nooit groter is dan het toegestane aantal en dat de kans tussen nul en één ligt. Bereken de rij- en kolomtotalen opnieuw vanuit de oorspronkelijke informatie, niet vanuit een overgenomen oplossing. Onze gids over zelfstandig wiskundeantwoorden controleren helpt je een andere controle te gebruiken dan de berekening die het antwoord opleverde.
Wees precies over de selectie. Een persoon uniform kiezen is anders dan eerst een sessie uniform kiezen en vervolgens iemand daarbinnen. Bij de tweede werkwijze krijgen mensen uit de kleinere sessie meer gewicht. Onze aantallenverhoudingen veronderstellen de eerste werkwijze. De voorwaarde is ook bekende informatie, niet noodzakelijk een eerdere gebeurtenis in de tijd. Je mag na de selectie ontdekken of iemand een schrift heeft en met die informatie de kans op diens sessiekeuze berekenen.
Oefen met nieuwe aantallen en een nieuwe noemer
Een nieuwe fictieve workshop telt 90 deelnemers: 30 in de ochtend en 60 in de middag. Vierentwintig ochtenddeelnemers brengen een schrift mee en achttien middagdeelnemers doen dat. Kies één persoon uniform. Bereken voordat je verder leest schrift gegeven ochtend, ochtend gegeven schrift, en ochtend en schrift. Schrijf naast elke breuk de noemer in woorden en reconstrueer de ontbrekende aantallen zonder schrift om je tabel te controleren.
Zonder schrift zijn er zes mensen in de ochtend en tweeënveertig in de middag. Het totale aantal met schrift is 42. Daarom P(schrift | ochtend) = 24/30 = 0,80; P(ochtend | schrift) = 24/42 = 4/7, ongeveer 0,5714; en P(ochtend ∩ schrift) = 24/90 = 4/15. Het eerste antwoord is 80%, het tweede ongeveer 57,14% en het derde ongeveer 26,67%. Elk antwoord hoort bij de eigen vraag, niet bij de andere twee.
Sluit je aantekeningen en leg uit waarom de middelste noemer 42 is en niet 30 of 90. Verander vervolgens alleen de vraagformulering en voorspel welk totaal moet veranderen voordat je gaat rekenen. Kun je zelfstandig de toegestane groep benoemen, de doorsnede tellen en de selectieaanname aangeven, dan heb je de methode geleerd in plaats van een bepaalde breuk. Die redenering neem je mee naar de volgende kansopgave, ook wanneer de voorwerpen en aantallen volledig anders zijn.
